| |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
Een disharmonisch ontwikkelingsprofiel, in de volksmond de verbaal/performaal kloof onderzocht.De term verbaal-performaal-kloof is ontstaan als een gevolg van de meetmethode die bij de WISC III gehanteerd wordt. Men meet er enerzijds het verbale IQ mee, en anderzijds het performale IQ. Het verbale IQ is een meting van alles wat betrekking heeft op woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen, enz… , Rekensommen worden in de vorm van (verbale) redactiesommen aangeboden, maar rekenen in het algemeen telt niet mee in de waarde van het Verbale IQ. Het performale IQ is een meting van hoe je praktisch omgaat met je kennis. Hoe los je bijvoorbeeld een praktisch probleem op. Motorische vaardigheden spelen hierbij een rol, maar evengoed een aantal inzichten, zoals bijvoorbeeld het ruimtelijk inzicht. Dit onderdeel is meer praktisch handelend dan kennis gerelateerd: figuren leggen, onvolledige tekeningen, blokpatronen, plaatjes in een logische volgorde leggen, etc. Op een non-verbale, handelende manier maak je zichtbaar wat je kunt. Een disharmonisch ontwikkelingsprofiel betekent een verschil in verbale prestaties tegenover performale prestaties of andersom. De term verbaal-performaal kloof verwijst naar een gemeten verschil in de prestaties op de onderdelen van de WISC III die tot het verbale en performale IQ worden gerekend. Wanneer dit verschil 15 punten of meer is, is er in statistisch opzicht sprake van een significant verschil. Een wetenschappelijke onderbouwing voor de term verbaal/performaal kloof, en alle problemen die hier aan gekoppeld worden is er niet. Dat er een discrepantie wordt gemeten tussen verbaal en performaal is wel mogelijk. Een conclusie wordt in veel gevallen niet gegeven. Als er een discrepantie gemeten wordt tussen verbaal en performaal is het belangrijk eerst op zoek te gaan naar verklarende en beïnvloedbare factoren. Maar is voor hoogbegaafden deze discrepantie wel zo bijzonder? In 2002 heeft Judith Reuver, bij het Centrum voor Begaafdheids Onderzoek te Nijmegen, een onderzoek gedaan om verheldering te scheppen in de vele opvattingen rondom een discrepantie van het verbale en performale presteren. Verrassende en interessante gegevens die uit dit onderzoek naar voren komen, is dat 50% van de hoogbegaafde kinderen een discrepantie van 9 punten vertonen, maar het gaat natuurlijk vooral om verschillen van 15 punten, want pas bij dit verschil wordt er gesproken van een “kloof”, Frequentie van voorkomen van absolute V-P verschillen van een bepaald aantal punten (of meer) binnen de Nederlandse normgroep voor alle leeftijden (6-16 jaar) tezamen.
[Bron: De Bruijn e.a., 1986. Wechsler Intelligence Scale for Children – Revised, Nederlandse Uitgave: scoring en normen] Als je rekening houdt met deze frequentie van voorkomen, zou het eigenlijk beter zijn om pas van een significant verschil te spreken rond de 19-22 punten (bij resp. 15-10%). Er zou dus eigenlijk een verschil gemaakt moeten worden tussen statistische significantie op basis van betrouwbaarheidsintervallen en 'statistical abnormality' (volgens Kaufman). Hieruit kun je bijvoorbeeld aflezen dat een verschil van 15 punten bij slechts 10% van de kinderen in de Amerikaanse normgroep voorkomt (rechterkant van de tabel), maar dat dit bij kinderen met een dominant PIQ of VIQ > 140 bij bijna de helft voorkomt (linkerkant van de tabel). Het verschil tussen kinderen met een discrepantie of zonder discrepantie en schoolproblemen is niet gevonden (onderzoek Judtith Reuver), en het is dus niet uitzonderlijk dat hoogbegaafde kinderen een discrepantie tussen verbaal en performaal vertonen. In de COTAN gids (De beschrijvingen en beoordelingen van 457 tests zijn neergelegd in het omvangrijke tweedelige naslagwerk Documentatie van Tests en Testresearch (2000), kortweg COTANgids genoemd). staat het volgende vermeld.”Voor het verschil tussen Performaal IQ (PIQ) en Verbaal IQ (VIQ) wordt erop gewezen dat een statistisch significant verschil nog niet hoeft te betekenen dat het verschil uitzonderlijk is.” Een frequentieverdeling van de verschilscores ontbreekt echter. Zelfs de correlatie tussen PIQ en VIQ is in de handleiding niet te vinden. Wat betekent dit in de praktijk, dat er teveel waarde gehecht wordt aan de discrepantie tussen verbaal en performaal score? Daar lijkt het wel op. De WISC IV een nieuwe intelligentietest, de opvolger van de WISC III die al vanaf 2003 in Amerika en vele andere landen gebruikt wordt, laat het klassieke onderscheid tussen een verbale en een performale schaal los. In plaats daarvan worden vier factoren ('index scores') onderscheiden: Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid. Bij hoogbegaafdheid en verstandelijke beperking worden aanvullende aspecten genoemd ter overweging bij de indicatiestelling, waaronder respectievelijk creativiteit en sociale redzaamheid. Binnen deze klinische benadering is aanpassing van de testprocedure mogelijk bij uitval op bepaalde subtests om te onderzoeken welke onderliggende cognitieve processen de lage prestatie kunnen verklaren ('doortesten' waar het misgaat) Helaas duurt het nog zeker tien jaar voordat de nieuwe WISC IV op de Nederlandse markt verschijnt. Tot dan zullen er heel wat kinderen met hun ouders naar huis worden gestuurd met de mededeling dat zij een v/p of p/v discrepantie hebben, dat dit een probleem moet zijn, zonder verdere uitleg en zonder dat ouders handvatten krijgen wat, hoe en waarom men hier verder mee moet. En helaas zullen er mensen zijn die deze discrepantie als een kloof blijven zien. Maar gelukkig over c.a tien jaar bestaat de “kloof”niet meer, maar zal men zich er op richten om te kijken bij eventuele problemen waar deze vandaan kunnen komen. Ria Meijer september 2008 met dank aan Desirée Houkema voor vele waardevolle tips. © Pharos 2008
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||