Jonge kinderen
Naar aanleiding van een thema avond over jonge kinderen, is het volgende verslag geschreven. Het is natuurlijk onmogelijk om een goed verslag te maken over een avond waarbij zoveel gebeurt. Alle aanwezigen hebben zinnige dingen gezegd, er kwamen veel vragen naar boven. Hoe men op elkaar reageert, en hoe prettig het is om eens openhartig over deze kant van je kind te kunnen spreken. Dat valt niet zomaar op papier weer te geven. Ik heb dan ook niet eens geprobeerd om een volledige weergave van de bijeenkomst te maken. Bij dit verslag heb ik me beperkt tot een inhoudelijk verslag van zaken die aan de orde zijn gekomen, en zelfs dat is niet volledig.
Ouders van jonge kinderen hebben veel gemeen. Het belangrijkste is wel dat ze allemaal een natuurlijke twijfel hebben over de hoogbegaafdheid van hun kind. Geen van hen zal zomaar zeggen dat ze een hoogbegaafd kind hebben, tenzij ze dit herkennen van een ouder kind. De meeste ouders praten dan ook over een kind dat 'behoorlijk slim is', of over een kind met een ontwikkelingsvoorsprong.
En daar raken we meteen de kern van de zaak: de meeste ouders vinden hun kind gewoon. Niemand ziet zijn of haar kind als een 'geval' en zeker niet als hoogbegaafd. Daar komt bij dat de ideeën die veel mensen over hoogbegaafdheid hebben helemaal niet bij hun kinderen passen. In de eerste jaren nemen de ouders hun kinderen zoals ze zijn, en denken er niet bij na dat de prestaties van die kinderen ongewoon zouden kunnen zijn. Als een kind iets vraagt geef je als ouder gewoon antwoord. Het is zelfs zo dat de meeste ouders eerst van andere kinderen denken dat die achter lopen voordat ze beseffen dat hun eigen kind toch anders is dan gewoon. Dan zie je dat ouders een heleboel ideeën óver wat 'normaal' is moeten bijstellen, en dan pas tot de conclusie komen dat hun kind wel eens hoogbegaafd zou kunnen zijn.
Vanaf dat punt duurt het gemiddeld nog twee jaar voordat iemand ergens hardop durft te zeggen dat je aan hoogbegaafdheid denkt in verband met je kind. En dan nog kan in de loop van de tijd de twijfel weer meermalen toeslaan. Dan is het prettig als het je duidelijk wordt wanneer je kind nog erg jong is. Hoe vroeger je iets kunt doen om de begeleiding van je kind op maat te krijgen, hoe beter het is.
Want het is duidelijk dat je als ouder van een hoogbegaafd kind er altijd bij moet blijven; je moet voortdurend de vinger aan de pols houden. ouders moeten vaak naar school of speelzaal om te blijven communiceren. De observaties van de begeleiders of leerkrachten kunnen sterk afwijken van wat je als ouder zelf observeert.
Hoogbegaafde kinderen zijn op veel gebieden anders dan 'gewone' kinderen. Ze reageren anders en die signalen worden nog al eens verkeerd begrepen door anderen, en dat heeft tot gevolg dat de begeleiding vaak niet optimaal is. Als ouder heb je de taak om dat proces voortdurend bij te sturen, en helaas: dat gaat nooit meer over.
Het komt veel voor dat hoogbegaafde kinderen zich niet volgens de verwachtingen, van de leerkracht, gedragen in een groep. Sommigen trekken zich terug uit het groepsgebeuren, sommigen worden juist extra druk en vervelend. Het gebeurt vaak dat er dan aan ADHD, of aan een vorm van autisme wordt gedacht. Vaak worden oudere kinderen naar sociale vaardigheidstrainingen gestuurd. Als je begrijpt wat er in een hoogbegaafde kleuter allemaal omgaat, dan heb je meer inzicht in het gedrag. En dan pas kun je er iets aan doen, en dat zijn zelden de gangbare oplossingen.
Veel gedrag komt voort uit onvrede met het cognitieve niveau van zowel de geboden activiteiten als van de kinderen om hen heen. Het aanpakken van gedrag heeft dus geen enkele zin, het is nodig dat de kinderen voldoende uitdaging wordt geboden. En hoewel de meeste begeleiders en leerkrachten dat eng vinden omdat ze bang zijn een kind teveel te belasten, zie je dat dit juist precies is wat ze nodig hebben. Als de kinderen op hun eigen niveau mogen werken, dan verdwijnt het storende gedrag vanzelf.
Dan komen we dus aan het, door ouders, gevreesde adagio: Kleuters moeten kleuteren. Een uitspraak die de meeste kleuterjuffen van harte aanhangen. Het is ook een goed uitgangspunt voor de meeste kinderen en het wijst er op dat de juffen zorg hebben voor het welzijn van die kinderen. Helaas hebben wij het hier over kinderen die op verschillende punten essentieel anders in elkaar zitten. Leren of anders cognitief bezig zijn, het voortdurend uitdaging krijgen, is voor onze kinderen een vorm van spelen en daardoor een levensbehoefte. Het zijn net sponzen: ze zuigen alle informatie op die ze kunnen krijgen. Dan leggen ze verbanden die anderen niet zien en onthouden ook nog eens bijna alles wat ze zien en horen. Als ze naar school gaan verwachten ze dat ze daar gaan leren. Het valt ze enorm tegen dat ze daar de hele dag moeten spelen, en juist niets krijgen wat ze verwacht hadden. Die teleurstelling is het begin van een reeks gebeurtenissen en van nog meer teleurstellingen.
Als er op school al iets gedaan wordt aan voorbereidend leerwerk, dan herkennen onze kinderen dat niet als zodanig. Dat komt ook omdat ze vanuit zichzelf "nadrukkelijk niet door druk of inzet van ouders" al van alles hebben geleerd. Veel hoogbegaafde kleuters hebben zichzelf al heel wat letters aangeleerd, of kunnen al lezen en of rekenen. Dat ontdekken ze ook op hun eigen manier, tellen biedt dan ook geen nieuws meer. Het gebodene is dan gewoon niet meer interessant.
Het komt ook voor dat een kind op school of elders hoort dat ze dat nog niet mogen of kunnen omdat dat pas in groep drie aan de beurt is. Dan is het goed mogelijk dat hij of zij helemaal niets meer laat zien , en soms ook zelfs thuis weigert om nog dingen te doen die niet bij de leeftijd passen. Het behoeft natuurlijk geen verdere uitleg dat dit geen gezonde situatie is.
Veel jonge kinderen passen zich al heel jong aan, aan hun omgeving. Ze zijn slim en weten heel goed dat ze anders zijn. Ze weten ook wel wat er zoal van hun verwacht wordt. Dan gaan ze weer krastekeningen maken,terwijl ze allang goed konden tekenen. Ze vertellen maar niks meer in de kring, want dat begrijpt toch niemand.
Vaak verzoeken begeleiders of leerkrachten nadrukkelijk de ouders om hun kind niet verder te stimuleren, of zelfs tegen te houden in de cognitieve ontwikkeling. De boekjes worden weggehaald, vragen worden mondjesmaat nog beantwoord. Geen uitjes meer, waar hij nog niet aan toe zou zijn volgens begeleiders en of leerkrachten. De lezer kan zelf de conclusie trekken welk effect dit op het kind kan hebben. Je kunt ze niet tegenhouden, dat gaat tegen een natuurlijke levensbehoefte in. Het werkt ook niet, want we weten al dat het kind zijn voorsprong niet te danken heeft aan de grote inzet van de ouders. Deze kinderen ontwikkelen zichzelf en als je ze daar niet bij begeleidt gaan ze toch door in hun ontwikkeling, alleen maak je het ze wel erg lastig. Door ze tegen te houden in hun ontwikkeling ontken je een deel van hun wezenlijke persoonlijkheid, dat kan niet goed zijn. Zij kunnen er ook niets aan doen dat ze zo zijn. En als je thuis al niet jezelf mag zijn, waar ben je dan nog wel veilig?
Wat je vaak ziet is dat begeleiders zien dat een kind zich vervelend gedraagt. Dat kind zit duidelijk niet goed in zijn vel. Hij is druk, lastig, luistert niet, doet niet lekker mee. Een normale reactie is om zo'n kind met rust te laten, en dan vooral niets nieuws aan te bieden. Dat werkt bij bijna alle kinderen, maar niet bij de onze. Die doen vervelend omdat ze zich vervelen en zich niet erkend of herkend voelen. Meestal gaat het vervelende gedrag direct over als ze op hun manier mogen werken, lees: mogen leren. Het weten dat er iemand is die naar je luistert en die je begrijpt, dat is al een hele opluchting voor zo'n kind.
En dan komen we weer op 'kleuters moeten kleuteren'. Als ze mogen werken, dan gaan ze wel spelen, maar andersom doen ze het niet! Als eerst het stukje cognitieve uitdaging voor elkaar is, dán gaan ze spelen. En dan willen ze het nog ook. Want hoogbegaafd of niet: het blijven kleine kinderen. Hetzelfde zie je ook bij oudere kinderen gebeuren als hun schoolwerk eindelijk voldoende is aangepast: dan gaan ze weer spelen. Daarbij is het ook nog nodig dat de omgeving veilig genoeg is, dat je niet wordt uitgelachen, of dat niemand zegt: "ach, hoogbegaafd en zit nog in de zandbak ...". Vaak krijgen ze ook nog het idee dat ze zich niet als kinderen mogen gedragen omdat ze dan niet meer serieus genomen worden op die terreinen waar ze wel op voorlopen.
Een aantal vormen van ongewenst gedrag komt vaak voor. Ouders herkennen elkaars verhalen daarin. Als je de kinderen beter begrijpt, dan zal een deel van dit, soms problematische, gedrag niet langer meer een probleem zijn. Als je erkent dat het vervelende gedrag voor een belangrijk deel mede-veroorzaakt wordt door de reacties van de buitenwereld op de hoogbegaafdheid van het kind, en niet voortkomt uit zinloos dwarsliggen, dan ben je al een stap in de goede richting.
Een hoogbegaafd kind is niet hoogbegaafd omdat het zo goed presteert. Het is anders in zijn hele denken, in hoe hij de wereld bekijkt, en in hoe hij nadenkt en verbanden legt. Zie het artikel denkprocessen. Het andere denken, gecombineerd met zaken als: goed kunnen leren en goed kunnen onthouden, maakt dat je tot bijzondere prestaties kunt komen. Aan de andere kant veroorzaakt het ook een communicatieprobleem met andere kinderen en met begeleiders. De hoogbegaafdheid beïnvloedt het hele leven van een kind. Het beperkt zich niet alleen tot schoolprestaties.
Je ziet al snel dat ze belangstelling ontwikkelen voor ongewone onderwerpen. Bekend is het rijtje: dino's, oertijd, heelal, stenen. Ook willen ze weten hoe de hele wereld in elkaar zit en hoe alles werkt. Daarnaast zullen ze religieuze vragen interessant vinden als ze er mee in aanraking komen. Dat leidt soms tot botsingen als ze mensen om zich heen hebben die niet makkelijk bestaande kaders los kunnen laten. Voor veel ouders en begeleiders is het een punt van zorg dat kleuters soms al bezig zijn met onderwerpen waar ze nog niet aan toe zouden zijn. Toch kunnen onze kinderen al heel jong bezig zijn met de grote levensvragen over zingeving en dood. Door ze daarin niet serieus te nemen doe je ze tekort.
Natuurlijk is het ook zo, dat een klein kind in een aantal gevallen gewoon de kennis mist om altijd alles in het juiste perspectief te kunnen zien. Soms krijgen ze dan nare dromen. Als je bang bent dat er hier ook oorlog uitbreekt, omdat je gewoon nog niet weet dat Afghanistan ver weg ligt in plaats van ergens om de hoek, dan ben je niet geholpen met een verbod op het jeugdjournaal. In dat geval heb je er meer aan dat iemand je op de kaart laat zien waar het ligt. Dit vraagt een grote creativiteit van de ouders en andere begeleiders. Verbieden of tegenhouden helpt niet. In veel gevallen zullen ze dan hun gedachten voor zichzelf houden, met als risico dat ze onbegeleid tot de wildste ideeën komen.
Iets anders dat lastig is voor de omgeving: ze doorzien mensen meestal feilloos. Ze kunnen vaak ook precies aangeven hoe de mensen in een groep met elkaar omgaan. Onecht gedrag van volwassenen om zich heen vinden ze erg vervelend. Om repect te krijgen zul je dat moeten verdienen. Ze waarderen over het algemeen sterke persoonlijkheden. Het zal ook beter gaan wanneer je als ouder/begeleider eerlijk toegeeft dat je iets niet weet, dan wanneer je doet alsof je de wijsheid in pacht hebt. Dat gaat ook op voor je begeleidende taken naar het kind toe. Vaak zijn de kinderen al heel jong in staat om aan te geven hoe het wel moet; hoe ze geholpen of begeleid kunnen worden.
Hoogbegaafde kinderen zijn anders. Daar kunnen we niet omheen. Ook al wil je niet graag dat je kind een etiket opgeplakt krijgt. Het anders zijn strekt zich uit tot alle terreinen van het leven, en beperkt zich niet tot school. Het zijn slimme kinderen en ze hebben dus ook zelf door dat ze anders zijn. Dit is lang niet altijd prettig. Omdat ze nog klein zijn als ze met hun anders zijn geconfronteerd worden, kunnen ze het lang niet altijd goed plaatsen. Ze zien dat andere kinderen andere dingen doen, ze kunnen vaak niet goed mee praten of spelen. De volwassenen om hen heen geven ongewild ook vaak negatieve signalen af. Het kind gaat makkelijk negatieve gedachten over zichzelf ontwikkelen. 'Als iedereen het hier leuk vindt, en ik niet, dan zal er wel wat aan mij mankeren.'
Het is dus goed om kinderen al jong op de hoogte te brengen van het feit dat ze hoogbegaafd zijn. Dat helpt ze om hun anders zijn een plek te geven. Dan is het duidelijk dat er niets mis is met ze, maar dat ze alleen maar 'anders' zijn. Als ze dat weten valt er meestal een last van hun schouders. Het is namelijk niet zo dat anderen raar tegen je doen omdat ze je niet lief vinden. Ze doen raar tegen je omdat ze je niet begrijpen. Een kind die dat weet kan er rekening mee houden. Het komt vrijwel nooit voor dat een kind naast de schoenen gaat lopen. Helaas zijn veel opvoeders daar wel bang voor en dus vertellen ze hun kind niets. Ook merk je dat kinderen zich gesteund voelen als ouders er open over zijn. Die erkenning hebben ze nodig. Ze vinden het meestal dan ook prettig om te weten dat ouders voor ze bezig zijn, door er meer over te weten te komen en door op school te gaan praten. De last van het anders zijn wordt van hun schouders genomen.
Als we als ouders willen dat onze kinderen erkend en herkend en vervolgens goed begeleid worden, dan zullen wij de eersten moeten zijn die het taboe doorbreken.
Als we dan de stap gezet hebben, en het kind weet wat er aan de hand is, is de volgende stap het opzoeken van andere hoogbegaafde kinderen. Het is niet de bedoeling om het kind van nu af aan als een 'geval' te beschouwen. In veel opzichten is het natuurlijk gewoon een kind net als de anderen. En net als andere mensen zal ook een hoogbegaafd kind zich een plekje moeten veroveren in de gewone wereld. En hij zal moeten leren omgaan met allerlei verschillende mensen. Toch is het daarnaast nodig dat hoogbegaafde kinderen ontwikkelingsgelijken ontmoeten. Het is namelijk erg prettig om af en toe ook eens kinderen tegen te komen die net zo denken als jij. Bij andere hoogbegaafden vind een kind veel herkenning. Ze vinden dezelfde spelletjes leuk, en worden niet boos als je de spelregels wilt veranderen. Ze begrijpen elkaar met een half woord, en niemand kijkt raar op als je belangstelling hebt voor iets ongewoons. Verwacht ook niet dat een groepje hoogbegaafden direct aan allerlei intellectuele hoogstandjes gaat beginnen. Meestal gaan ze gewoon spelen. En voor wie goed kijkt valt dan op dat de fantasie beter bij elkaar aansluit en dat ze op een andere manier communiceren. Ze hebben vaak aan een half woord genoeg. Verder is erg opvallend dat ze onderling heel snel contact leggen, ook bij kinderen die in het normale leven moeilijk aansluiting vinden bij andere kinderen.
De andere kant van het verhaal is dat het ook wel eens lastig is om andere kinderen tegen te komen die ook gewend zijn om woordenwisselingen en spelletjes te winnen. In de ontmoeting met andere kinderen vindt ook een stuk confrontatie met jezelf plaats. Ook dat kan wel eens vermoeiend zijn. Het valt lang niet altijd mee om jezelf te mogen zijn. Veel kinderen spelen in het dagelijks leven een rol om zich staande te houden in een wereld die niet goed bij ze past. Als dat inmiddels veilig lijkende mechanisme wegvalt, wordt je weer op jezelf teruggeworpen, en dat ben je niet meer gewend. Ieder kind spiegelt zichzelf aan leeftijdsgenoten. Zo ontwikkel je je eigen persoonlijkheid. Hoogbegaafde kinderen hebben vaak zo weinig gemeen met hun leeftijdsgenoten, lees: klasgenoten, dat het spiegelen aan anderen niet goed werkt. Om je eigen persoonlijkheid te kunnen ontwikkelen is het nodig om je te kunnen spiegelen aan gelijkwaardige mensen. Voor hoogbegaafden is het dus nodig dat ze ook andere hoogbegaafden ontmoeten.
Het is ook van belang dat iemand een gezonde kijk op hoogbegaafdheid ontwikkelt. Veel kinderen zullen hun anders zijn kunnen ervaren als een last. Het is namelijk lastig om anders te zijn, een heleboel dingen die je tegenkomt in de dagelijkse gang van zaken is niet passend bij jouw manier van doen en denken. Veel ouders generen zich ervoor, of hebben inmiddels zoveel rare opmerkingen gehoord dat ze ook maar niet meer praten over de hoogbegaafdheid van hun kind. Het is van belang dat kinderen leren begrijpen wat hoogbegaafdheid inhoudt. Hoe vroeger hoe beter. Dat houdt in dat je begrijpt dat het soms lastig is, maar vaak genoeg ook leuk kan zijn. Als je een gave hebt, of als je iets goed kunt, dan mag je daar best trots op zijn. Het is een mooie taak voor de ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen van jongs af aan ook ervaren dat ze leuke dingen beleven juist omdat ze hoogbegaafd zijn. Ik denk dan aan o.a.: originele gedachten waar mensen plezier aan hebben; dat het goed is als je iets goed kunt,of dat nou rekenen of tekenen is; aan het beleven van uitstapjes naar interessante dingen; aan activiteiten die voor hoogbegaafde kinderen worden georganiseerd door een oudervereniging als Pharos.
Door regelmatig een positieve ervaring te krijgen, en door af en toe ontwikkelingsgelijken te ontmoeten waarbij je echt jezelf mag zijn, kun je weer voldoende energie bijtanken om jezelf staande te houden in een omgeving die wat minder op maat gemaakt is. Voor het ene kind zijn die tegenstellingen wat scherper dan voor de ander.
Veel problemen ontstaan op school. Of eigenlijk: omdat het kind anders is dan de meeste kinderen, en in zoveel zaken anders denkt en doet, valt het op school extra op. Want daar blijkt dat je niet in het systeem past. Als het goed is wordt er ook op school aandacht aan de hoogbegaafdheid besteed. Het zijn uitzonderingen die het redden zonder extra aandacht. Het gewone schoolwerk biedt vaak al snel geen uitdagingen meer. Veel kleuters weten voordat ze op school komen al zoveel, dat ze tot in groep 3 niets meer te doen hebben. En tegen de tijd dat ze in groep 3 komen zijn ze natuurlijk ook alweer verder. Want die ontwikkeling is niet tegen te houden. Het heeft dan ook geen enkele zin om die kinderen tegen te houden in hun ontwikkeling of te remmen in hun belangstelling. Een van de maatregelen die dan ter sprake komt is het overslaan van een klas. Natuurlijk zal het, als het goed is, niet gaan over het echt overslaan van een heel jaar leerstof. In de meeste gevallen heeft een kind al een voorsprong, zodat hij of zij al veel weet van wat ze in dat jaar zouden gaan leren. Dan zal een school er ook voor zorgen dat delen van de stof die nog nodig zijn op een of andere manier verkort aan te bieden, zodat er geen hiaten ontstaan. Hét grote discussiepunt is altijd weer: de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het zou moeilijk kunnen zijn om als jonger kind in een klas met oudere klasgenoten te zitten. In de praktijk en uit wetenschappelijk onderzoek, blijkt echter dat dat vrijwel altijd zeer goed gaat. Het kind trekt waarschijnlijk van nature al makkelijk met oudere kinderen op. De klas waar je in zit heeft je niets te bieden. Met je klasgenoten heb je niets meer gemeen dan je kalenderleeftijd. Verder heb je zo weinig interesses gemeen dat je niet goed deel uitmaakt van de groep. De aangeboden leerstof biedt ook geen uitdaging. Voortdurend binnen je 'eigen' klas ander werk doen is ook niet goed, want ook dan ben je voortdurend buiten het geheel bezig. Kortom: de klas waar je in zit is ook geen ideale omgeving. Vaak uit zich dat ook in vervelend of juist teruggetrokken gedrag. Een overstap naar een jaar hoger, waar de kinderen iets meer te bieden hebben en waarbij de leerstof weer wat beter bij je past, in ieder geval meer kans op uitdaging biedt, is dan ook een betere omgeving.
Inmiddels blijkt uit steeds meer onderzoek dat de angst voor het sociaal-emotionele volkomen ongegrond is. Het is natuurlijk prettig dat de school zich oprecht zorgen maakt over het welzijn van je kind, maar in dit geval is die zorg niet terecht. Het gaat in het algemeen goed met hoogbegaafde kinderen die versneld zijn.
Natuurlijk ben je er nog niet met een versnelling. Je wilt voorkomen dat zoiets nog een keer nodig wordt en dus moet je naast een versnelling ook al snel extra begeleiding inzetten, en er voor zorgen dat aangepast werk voorhanden is. Maar dat is dan vaak minder dan wanneer je niet zou versnellen; het kind kan meer gewoon meedoen met zijn klas. Doe je dat niet, dan is het nieuwtje er binnen twee maanden af, het kind heeft zich weer tot op het top niveau van de klas opgewerkt en gaat opnieuw een voorsprong opbouwen. En dan moet je na een paar jaar weer versnellen. Of het kind houdt helemaal op met werken en valt in de valkuil van het onderpresteren.
Al heel jong zie je dat kinderen op school niets doen. Datgene wat van ze verwacht wordt kost ze niet of nauwelijks moeite. Het is natuurlijk prettig als je goed door de school gaat, zonder dat dat moeite kost. Er zit echter een hele grote adder onder het gras. Deze kinderen leren niet werken, ze leren niet leren en vooral: ze leren niet falen. Het gevolg is vaak faalangstige kinderen die niet meer kunnen werken. Het is belangrijk dat ieder kind dusdanig onderwijs op maat krijgt dat ze toch leren om ergens moeite voor te doen. Leer je dat niet dan krijg je daar op latere leeftijd grote problemen mee, want het blijft natuurlijk niet altijd zo dat je zonder moeite alles kunt bijbenen. En als je op de middelbare school komt zonder geleerd te hebben hoe je werken en leren moet, dan heb je niet veel kans om die goed af te maken. Veel problemen van middelbare scholieren zijn terug te voeren op zaken die al in de kleuterjaren zijn begonnen. Door er vroeg bij te zijn kun je als ouder veel narigheid voorkomen.
Frustratie is een kernwoord als het om hoogbegaafde kinderen gaat. Ze willen zoveel, maar omdat ze klein zijn kunnen ze nog maar weinig. Als je alles wilt weten, en je kunt nog niet lezen, dan is de informatie niet altijd bereikbaar. En je ouders hebben ook niet altijd tijd om voor te lezen. Als je als baby wilt rondkijken, en je kunt nog niet zitten, dan heb je geen mogelijkheden om zelf iets aan je behoeftebevrediging te doen. Als je als baby iets interessants wilt pakken, maar je handje is nog niet zo goed aan te sturen, dan wordt je boos.
Er is nog een zeer belangrijke factor: de mensen om je heen. Ieder kind heeft een heleboel mensen om zich heen die met de beste bedoelingen allerlei opmerkingen kunnen maken die bij elkaar een heleboel negatiefs oproepen. Enkele voorbeelden: 'goh, kan je dat al?'; 'ben je daar niet te klein voor'; 'nee lezen doen we pas in groep drie'; 'speelgoed voor jouw leeftijd staat in de andere kast'; 'dat is ook een bijdehandje, hè?'; 'nee, dat is de kast voor de oudste kleuters'; 'wat een moeilijke woorden ken jij al, zeg'; 'zeg, moet jij nog niet naar bed?'; 'dit museum is niet zo geschikt voor jonge kinderen'. En dit rijtje is eindeloos aan te vullen met opmerkingen die aardige mensen met de beste bedoelingen maken. Helaas hebben we hier te maken met slimme kinderen die alles onthouden en ook verbanden kunnen leggen. Zij zullen deze rij opmerkingen ervaren als afwijzingen. Het is duidelijk dat je van alles doet, dat blijkbaar niet hoort. Je merkt als kind ook wel dat je anders bent, dat andere kinderen soms raar op je reageren. Maar ja, blijkbaar heeft iedereen het wel naar de zin op school en speelzaal, alleen jij niet. Dus zal er wel iets mis met je zijn. De opeenstapelingen van afwijzingen en opmerkingen die duidelijk maken dat je dingen doet die je blijkbaar niet zou moeten doen, maken dat een kind de conclusie trekt dat hij ergens niet deugt. Voeg daarbij de behoefte van volwassenen om je te laten testen en onderzoeken, en het is je opeens volkomen duidelijk dat er aan jou van alles moet veranderen. Het kind weet immers niet dat het alleen maar hoogbegaafd is, en dat er dus helemaal niets mis is. Het is dan ook nodig om die duidelijkheid te verschaffen: het is niet zo dat mensen je niet lief vinden; ze begrijpen je niet altijd. En met dát gegeven kun je wel leren leven.
Aan ouders de taak om het gekneusde zelfvertrouwen weer op peil te brengen. Dat doe je trouwens niet door complimentjes te geven voor dingen die helemaal geen compliment waard zijn. Want daarmee werk je faalangst alleen maar in de hand. Dat geeft namelijk de boodschap dat alles prima in orde moet zijn voordat je gewaardeerd wordt, en dus moet er telkens een schepje bovenop. Ze weten trouwens zelf ook wel dat sommig werk prutswerk is. Maar als mensen daar complimentjes voor geven, dan weten ze dat dat niet in orde is. Maar ze leren dan ook niet wat er wel van ze verwacht wordt. Neem de kinderen serieus, en leer ze op tijd wat reële eisen zijn die je aan je werk kunt stellen. Dat begint al heel jong. Een perfectionistische instelling hoeft niet tot frustraties en faalangst te leiden als dat op tijd begeleid wordt. Ze moeten leren dat ze ook fouten mogen maken, dat niet alles prima hoeft te zijn. Kinderen die bijna alles vanzelf leren, weten niet dat andere kinderen in de klas wel moeite moeten doen om hetzelfde te bereiken. Als zij een keer ergens moeite voor moeten doen schrikken ze er van. En als snel denken ze dat ze niks kunnen. Ouders kunnen kinderen thuis helpen aan een groter zelfvertrouwen. Thuis is de veilige plek waar je wel altijd jezelf mag zijn. En ook daar kun je leren om reële eisen aan jezelf te stellen.
Waaraan herken je hoogbegaafde kinderen? Het is duidelijk dat ze een grote leercapaciteit hebben. Ze willen alles weten, ze willen de hele wereld begrijpen. Ze stellen vragen die anderen niet stellen, denken verder dóór op alles. Ze onthouden veel en ook details, doen veel dingen tegelijkertijd, en leggen verbanden die anderen niet zien. Ze zijn vaak druk, eisen veel aandacht op. Ze nemen geen genoegen met halve antwoorden. Ouders moeten voortdurend hun creativiteit tot op de bodem uitputten.
Ze hebben een apart gevoel voor humor, zijn sociaal, hebben een groot gevoel voor rechtvaardigheid. Gezag is een moeilijk punt. Respect krijg je niet zomaar, dat moet je verdienen. Vaak zijn het ook wakkere alerte baby's. Vaak ontwikkelen zij zich van jongs af aan in een hoog tempo. Ze maken vanaf de eerste dag meer contact met de wereld dan anderen, kijken veel rond, slapen minder, proberen al snel hun hoofd op te tillen in een poging de wereld om zich heen te ontdekken. Veel ouders merken dat hun baby's meer speelgoed nodig hebben dan anderen, omdat ze snel uitgespeeld zijn met hun speelgoed. Als ze iets een paar keer gedaan hebben is het nieuwtje er af, dan willen ze weer iets nieuws ontdekken. Ze willen ook graag overal bij zijn, ze laten zich niet wegstoppen. In een afgesloten kinderwagen vervelen ze zich: ze willen rondkijken.
Ze zijn vaak eigenwijs, ze communiceren op een andere manier. kleuterklas waar veel afhankelijk is van groepsgedrag. Ook op de peuterspeelzaal merken deze kinderen dat ze niet goed bij het geheel passen, ook al omdat de klasgenoten nog niet het inzicht en denkniveau hebben als een hoogbegaafd kind. Bijvoorbeeld, je vraagt aan jouw klasgenootje of hij dat rode blokje aangeeft, en jouw klasgenootje geeft welwillend een blauw blokje aan omdat hij de kleuren nog niet kent. Zo een situatie kan tot onbegrip en frustratie leiden van een hoogbegaafd kind op een peuterspeelzaal.
Als je de verhalen van veel ouders naast elkaar zet, zijn er veel overeenkomsten te ontdekken. Maar het is ook duidelijk dat alle kinderen anders zijn, niet alle hoogbegaafden lopen jong of praten vroeg. Hoewel de wetenschap beweert dat je er bij jonge kinderen nog niets van zou kunnen zeggen, blijkt uit de verhalen dat ze eigenlijk vanaf de eerste dag al anders waren. Maar natuurlijk kom je daar vaak pas achter als je later terugkijkt. De meeste gedragingen worden in het begin niet in verband gebracht met hoogbegaafdheid.
Alles bij elkaar zou hun talent ervoor moeten zorgen dat het goede leerlingen op school kunnen zijn. Hoewel ze dat wel zouden moeten kunnen, blijkt in de praktijk vaak dat ze toch niet tot bijzondere prestaties op school komen. Al in een vroeg stadium beginnen kinderen op school hun mogelijkheden en interesses te verstoppen, zodat de juf er niets van ziet. En later blijkt dat ze niet leren leren en werken. Pas als het kind van jongs af aan erkend en herkend is, zal een kind er zelf opener in worden.
Hoe je het wendt of keert: als je kind hoogbegaafd is, dan moet je er iets mee doen. Er zijn gelukkig ook kinderen waar het gewoon goed mee gaat, maar de meesten komen er echt niet vanzelf. Als ouder is het jouw taak om het proces te begeleiden. Dat betekent vaak dat je het gevoel hebt een 'zeurouder' te zijn, omdat je wel heel vaak naar school moet gaan. Helaas, het is niet anders. Als je als ouder de regie niet in handen neemt is de kans groot dat niemand het doet. De meeste ouders durven er niet zomaar over te beginnen, ze vertrouwen op de deskundigheid van leerkrachten. Helaas is het nog steeds zo dat er veel leerkrachten, psychologen, consultatiebureau's, artsen en orthopedagogen nog weinig weten van hoogbegaafdheid. Dat kunnen we ze eigenlijk niet eens kwalijk nemen, want het is geen uitgebreid onderdeel van de opleidingen. Ze verdiepen zich er meestal pas in als ze op een of andere manier persoonlijk geraakt worden door het contact met een hoogbegaafd kind.
Nu we het hebben over jonge kinderen raken we dus een pijnlijk punt. De meeste ouders durven er niet zo makkelijk over te praten. Omdat ze het nog niet zeker weten. Omdat ze nog geen goed beeld hebben van wat hoogbegaafdheid in zijn totaal inhoudt. Omdat ze niet willen opscheppen. En niet in de laatste plaats: omdat de omgeving vaak erg vervelend reageert.
Toch is het zo dat de intuïtie van ouders vrijwel altijd de beste raadgever is. Ouders kennen hun kind beter dan wie dan ook. De ervaring leert dat zij vrijwel altijd gelijk hebben, en dat ze hun gevoel moeten volgen.
Marjolijn van der Molen
© Pharos 2006