Te jong voor het voortgezet onderwijs?
Als je kind in het begin van het basisonderwijs een groep overslaat, dan sta je er als ouder in de meeste gevallen nog niet bij stil dat je kind hierdoor ook vroeger naar het voortgezet onderwijs zal gaan. Vervroegd naar het voortgezet onderwijs; dat betekent dat je zoon of dochter niet ouder dan elf jaar zal zijn als het de wijde wereld instapt. Of erger; tien jaar, of zelfs nog maar negen! Erger? Is dat wel zo? Wat betekent het eigenlijk voor ouders als hun kind al op jonge leeftijd aanschuift in de banken van het voortgezet onderwijs?
Het lijkt misschien heel eng, zo'n jong kind tussen de pubers, maar realiseer je dat je destijds niet voor niets hebt gekozen voor versnellen. Het is waarschijnlijk voor jezelf moeilijker dan voor je kind. Jij moet eerder dan gepland je kind loslaten. Stel je maar eens voor hoe het aanvoelt als je kind straks op de fiets, zonder jou, naar een ander school gaat, misschien wel in een andere plaats. Loslaten betekent ook dat je je kind mee moet laten doen aan schoolfeesten en andere sociale activiteiten die nu eenmaal horen bij het voortgezet onderwijs. Als je halsstarrig vasthoudt aan zijn leeftijd en hem niet mee laat doen, wordt hij pas echt een uitzondering.
De praktijk
'Uitzondering' is juist waar veel ouders zich van tevoren zorgen over maken. Zal ze niet sociaal vastlopen? Zullen al die slungelige puistenkoppen hem wel accepteren? En welke invloed hebben feesten, drank, drugs en seks op die slimmerik van mij? In de praktijk blijkt het allemaal wel mee te vallen. De meeste ouders ervaren dat hun kind zich aardig redt in deze nieuwe wereld. Internationaal onderzoek toont zelfs aan dat er weinig reden tot zorg lijkt te zijn. Opvallend is dat vervroegde toetreders zelfs minder last blijken te hebben van hun medeleerlingen dan van kritische leerkrachten.
Binnen de groep van leeftijdgenoten bestaan ook veel verschillen. Jongeren van ongeveer dezelfde leeftijd zijn niet allemaal even groot en hebben niet allemaal dezelfde interesses. Sommige jongeren hebben heel veel behoefte aan aanpassing aan de groep, terwijl andere jongeren veel meer hun eigen weg gaan. Natuurlijk is het zo dat bij jongeren uit het voortgezet onderwijs de mening en vooral de goedkeuring van groepsgenoten een grote rol (gaan) spelen bij de ontwikkeling. Maar dat betekent niet dat volwassenen helemaal uit beeld verdwijnen. Want ook jongeren hebben behoeften aan grenzen, bijsturing, goede tips en voorbeelden van volwassenen, zowel op het gebied van schoolse als communicatieve vaardigheden. En precies daar komt de docent in beeld.
De leerkracht
De houding van de docent blijkt van groot belang te zijn voor de mate van acceptatie van vroege leerlingen door hun klasgenoten. Idealiter besteedt de leerkracht geen extra aandacht aan de uitzonderingspositie van het kind, maar blijft hij wel attent op de tolerantie die jongeren in de groep voor elkaar, en dus ook voor de jonge instromer, opbrengen. Veel leerkrachten blijken overigens in eerste instantie niet door te hebben hoe jong hun leerling is. Het is van belang dat leerkrachten goed geinformeerd zijn over hoogbegaafdheid in het algemeen. Zij zullen er bijvoorbeeld van op de hoogte moeten zijn dat hoogbegaafden sneller en op een andere manier leren dan hun leeftijdgenoten. Als leerkrachten niet weten dat er over de sociale en emotionele ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen allerlei misverstanden bestaan, is de kans groot dat ze reageren vanuit hardnekkige vooroordelen. Ook kennis en informatie over onderpresteren zijn van belang.
Vaak gemaakte fouten
Het is niet zo dat het feit dat je kind op jongere leeftijd in een hogere klas zit er voor zorgt dat hij in de lesstof, van een groep hoger, automatisch voldoende uitdaging vindt en vanzelf ontwikkelingsgelijken ontmoet. Helaas komt het regelmatig voor dat docenten er van uitgaan dat standaard oplossingen met betrekking tot huiswerkbegeleiding en faalangsttraining wel voldoende zullen zijn. Het is ook niet zo dat een tekort aan cognitieve uitdaging of een aanbod op te laag niveau, gecompenseerd kan worden door meer sociale of andere activiteiten. Het zal altijd 'én én' moeten zijn. Het blijft noodzakelijk om met de speciale mogelijkheden en behoeften van hoogbegaafden rekening te houden, zodat ze hun eigen werkhouding (terug) kunnen vinden. Ook hier geldt dat je als ouder steeds in gesprek moet blijven met de school en met je kind.
School
De stap naar het voortgezet onderwijs vraagt behoorlijk wat van de zelfstandigheid van je kind. Voor de meeste heel jonge kinderen is juist die zelfstandigheid iets waar zij niet allemaal even snel aan toe zijn. Dat vraagt extra begeleiding, van de ouders maar ook van de nieuwe school. Het is belangrijk om een nieuwe school te zoeken in samenwerking met de basisschool. In veel gevallen lijken ouders degenen te zijn die de aanzet tot versnelling geven, maar als de basisschool zelf aangeeft een tweede versnelling in overweging te nemen, is het slim om de school te vragen samen de school voor voortgezet onderwijs te benaderen. Op deze manier wordt voor de nieuwe school duidelijk dat het niet alleen het idee van de ouders is, maar dat de basisschool dit ondersteunt of zelfs initieert. Let bij de schoolkeuze ook op het niveau van de leerlingen bij wie je kind in de klas komen; zorg voor een VWO-brugklas en vermijdt zoveel mogelijk combinaties met VMBO en HAVO. Tenslotte lijkt het uitermate zinvol om voor een school te kiezen die al extra mogelijkheden biedt voor begaafden.
Praktische bezwaren
Natuurlijk blijven er wel de nodige praktische bezwaren. Een kind van tien is vaak veel kleiner dan een kind van twaalf jaar. Het dagelijks meeslepen van een zware boekentas is voor veel twaalfjarigen al een hele krachttoer, laat staan voor een kind van tien. De tafels en stoelen zijn niet aan zijn maat aangepast, en ook gymnastiek kan een probleem zijn door de verschillen in fysiek vermogen. In overleg met de school is hier vrijwel altijd een mouw aan te pasen.
Tenslotte
Hoewel je kind op het voortgezet onderwijs eindelijk weer mentaal wordt uitgedaagd, kun je aan hem zien dat het zwaar is. En dat klopt. Realiseer je dat elke brugklasser het moeilijk heeft in het begin. Ze moeten allemaal wennen. Een nieuw leven, een nieuw ritme. Na een paar maanden kun je je nog nauwelijks voorstellen dat ze het zo moeilijk hebben gehad.
© Pharos 2006