Pharos Nederland | Home | Sitemap | Contact
landelijke vereniging van
ouders van hoogbegaafde kinderen

Profielen


Verslag lezing: Profielen - Spreker: Annet Atsma

Hoe hoogbegaafdheid in verschillende vormen kan verschijnen.

Annet Atsma is leerkracht, ouder van hoogbegaafde kinderen en zij heeft de ECHA studie afgerond.

Zij legt ons de betekenis uit van de ideeën van het duo Betts en Neihart (1988) over de verschillende verschijningsvormen van hoogbegaafdheid, ook wel 'de profielen' genoemd. Een impressie:

Zoals zovelen kwam ook Annet met hoogbegaafdheid in aanraking toen dat ging spelen bij haar eigen kinderen. In zo'n geval kom je er achter dat er niet veel mensen zijn die iets af wisten van hoogbegaafdheid. En evenals vele anderen is zij vervolgens zelf op zoek gegaan naar relevante informatie. Eigenlijk zou iedereen die beroepsmatig, of op een andere manier veel met kinderen bezig is, iets moeten afweten van hoogbegaafdheid. Het gedachtegoed van Betts en Neihart geeft voor velen helderheid, maar het brengt ook zeer verrassende informatie met zich mee. Het is goed als mensen die hoogbegaafden tegen kunnen komen zich bedenken dat hoogbegaafdheid met zeer verschillende gezichten optreedt.

Vóór alles is het nodig het volgende te stellen:

Hoogbegaafdheid is geen probleem, maar een uitdaging die men moet aangaan.

Het is iets dat in de persoon zit, en het moet er op een goede manier uit kunnen komen. Als begeleiders van de kinderen, thuis en op school, hebben we de taak om daar voor te zorgen.

Voordat we het hebben over hoogbegaafdheid is het handig om wat achtergrondinformatie te hebben. We passeren een aantal belangrijke ontwikkelingen:

We beginnen bij het model van Renzuli en Mönks.

 


Renzuli begon met het onderscheiden van de drie gebieden: Motivatie, Creativiteit en Buitengewone capaciteiten. Om van hoogbegaafdheid te kunnen spreken vindt hij het noodzakelijk dat die drie componenten allen aanwezig zijn. Inmiddels gaan er stemmen op om ook de overlappende gebieden van twee componenten tot hoogbegaafdheid te rekenen.

Later vulde Mönks dit model aan met de volgende gedachten: Het is inderdaad zo dat de drie componenten de hoogbegaafdheid vormen, maar er is meer voor nodig. Om tot goede hoogbegaafde prestaties te kunnen komen is er de invloed van de omgeving nodig: school, gezin en vrienden (vrienden zijn hier 'peers'; ontwikkelingsgelijken). De buitenste driehoek bepaalt dus of de hoogbegaafdheid er uit komt of niet. De omgeving belemmert of stimuleert. Voorbeelden:

Mag een kind thuis spelletjes doen die bestemd zijn voor oudere kinderen?
Mag het kind lezen in de kleuterklas?
Wanneer je geen gelijken om je heen aantreft, dan denk je al snel dat je raar bent.
Hoe wordt er op de tekeningen van een jong kind gereageerd als die al poppetjes maakt in plaats van krastekeningen?
Kun je je interesses met anderen delen? Kom je niemand tegen die ook zulke dingen leuk vindt (stenen, dino's, heelal, prehistorie), dan ben je blijkbaar gek.
Het ontmoeten van gelijken, bij voorbeeld bij Pharos activiteiten, is belangrijk om dat deel van jezelf naar buiten te laten komen.

Gardner ontdekte vervolgens dat er verschillende vormen van begaafdheid zijn. Ieder van deze intelligentievormen heeft zijn eigen manier om de wereld onder controle te krijgen, om te leren.

Howard Gardner onderscheidt 8 vormen van intelligentie:

verbaal-linguïstische intelligentie
logisch-mathematische intelligentie
visueel ruimtelijke intelligentie
tactiel-motorische intelligentie
muzikale intelligentie
naturalistisch-ecologische intelligentie
interpersoonlijke intelligentie
intrapersoonlijke intelligentie

Meer hier over is te vinden in het verslag van de lezing van Pieter Wielinga.

Heller heeft de verschillende vormen van intelligentie in een model samengebracht met de verschillende invloeden die er op een persoon werken. Door de verschillende talenten, die ook weer door omstandigheden buiten de persoon worden beïnvloed, kan iemand tot verschillende prestaties komen.

Het komt er in het kort op neer dat je uitgaat van verschillende begaafdheidsfactoren, die kunnen leiden tot diverse prestatiegebieden. In het proces spelen allerlei invloeden een rol die hier worden verdeeld in niet-cognitieve persoonlijkheidsfactoren en omgevingsfactoren.

Het linkerrijtje van het diagram is wat er in zit. Het rechterrijtje is wat er uit kan komen. Boven en onderaan vinden we de factoren die dat beïnvloeden.

 


Het komt er in het kort op neer dat je uitgaat van verschillende begaafdheidsfactoren, die kunnen leiden tot diverse prestatiegebieden. In het proces spelen allerlei invloeden een rol die hier worden verdeeld in niet-cognitieve persoonlijkheidsfactoren en omgevingsfactoren.

Het linkerrijtje van het diagram is wat er in zit. Het rechterrijtje is wat er uit kan komen. Boven en onderaan vinden we de factoren die dat beïnvloeden.

We komen nu bij datgene waar het deze keer om gaat: de zes profielen van Betts en Neihart.

Deze hebben onderzoek gedaan naar hoogbegaafdheid. Dit speelde zich af in Amerika. Daar is veel meer geld beschikbaar voor onderzoek op het gebied van hoogbegaafdheid dan hier in Nerdeland. Voor het weinige onderzoek dat er in Nederland gedaan wordt, is weinig geld beschikbaar. Het laatste grote onderzoek kwam tot stand dankzij Europese subsidies.

De belangrijkste ontdekking van hun onderzoek was dat hoogbegaafdheid in verschillende vormen voorkomt. Ze hebben er zes benoemd, maar het zouden er ook meer kunnen zijn. Het is er in ieder geval niet slechts één: dé hoogbegaafde bestaat niet. We moeten derhalve ons beeld van hoogbegaafdheid bijstellen.

Betts en Neihart beschreven in 1988 de volgende zes profielen:

type 1: de succesvolle
type 2: de uitdager
type 3: de onderduiker
type 4: de wegloper
type 5: de dubbel geëtiketteerde / leerling met leer- en gedragsproblemen
type 6: de zelfstandige

 

Eigenlijk beginnen alle hoogbegaafden als de zelfstandige leerling. Maar dan komt de invloed van de omgeving. Wanneer die een belemmerende invloed heeft, dan kan iemand afglijden. Soms duurt dat lang, maar soms gaat het ook snel, en dan zie je bijvoorbeeld een zesjarige drop-out. We zien ook dat verschillende types binnen één persoon voorkomen. Zo iemand uit zich op een gemengde manier.

>> In het volgende kan overal waar 'hij' wordt gebruikt natuurlijk ook 'zij' worden gelezen.

Type 6, de zelfstandige leerling is er een die goed functioneert. Hij heeft goede sociale vaardigheden, werkt zelfstandig, en durft daarbij risico's te nemen. Deze laat ook goede prestaties zien. Hij zit goed in zijn vel, participeert, durft zijn mening te geven, is enthousiast.

Het eerste afglijden brengt ons bij type 1: de succesvolle leerling.

Deze leerling presteert goed, haalt op school mooie cijfers. Op het oog is er niets aan de hand, maar dit kind presteert niet op het eigen niveau. Hij zal niet te moeilijk doen, vertoont wenselijk gedrag, kortom: een ideale leerling om in de klas te hebben. Ondertussen worden de eigen interesses echter weggeschoven: zo iemand doet zichzelf eigenlijk voortdurend tekort. Dit kind is afhankelijk van de leerkracht en wil voortdurend zijn goedkeuring. Hij is bang om anders te zijn, en wil dus bevestigd worden dat hij op de goede weg zit. Gedraagt zich als een goede vriend(in). Hij zal ook altijd proberen om risico's te mijden. Hij heeft alles graag in de hand, houdt niet van onzekerheden. Deze leerlingen halen hoge scores, maar daar zetten ze zich niet voor in. Dit kind leert niet om te leren.

Type 2: de uitdager. Deze weet alles en wil iedereen ervan overtuigen dát hij alles weet. Hij corrigeert luidkeels. Hij is erg competitief. Dit kind heeft een slechte zelfcontrole. Hij stelt voortdurend de regels ter discussie, en blijft dit doen zodra daar de kleinste gelegenheid of aanleiding voor is. Lastig voor opvoeders: een kind dat iedere keer weer aan de regels blijft morrelen. Hij vraagt ook vaak op een verkeerde manier om aandacht. Door de klas roepen als hij het antwoord weet. Vaak bereikt hij daarmee juist het tegenovergestelde: 'Hou jij nu maar eens je mond, we weten wel dat jij er bent.' Dat is niet de erkenning waar hij om schreeuwt.

Dit kind zal liever zomaar een antwoord geven, dan toe te geven dat hij de vraag niet goed gehoord heeft of zelfs niet goed begrepen heeft. Dat zijn dus vaak verkeerde antwoorden, maar toegeven dat je iets niet weet; dat kan hij ook niet. Dit kind wordt vaak als lastig ervaren, en kost zijn omgeving veel energie. Zelf heeft hij echter een laag zelfbeeld. Hij vindt het op school niet leuk. Hij scoort geen goede resultaten, en dat versterkt het lage zelfbeeld. En daarmee vergroot zich de behoefte om zich te laten gelden. Deze glijdt gemakkelijk verder af.

Type 3: de onderduiker. Dit kind wil er bij horen. 'Vooral niet opvallen' is zijn devies. Hij doet zijn uiterste best om alles precies op het gemiddelde te houden; zowel wat betreft de schoolprestaties als ook op het sociale vlak. Hij wil niet uitgedaagd worden. Dit zijn vaak meisjes. Deze kinderen zullen hun hoogbegaafdheid graag ontkennen, en houden dit net zo lang vol tot ze dat zelf geloven. Deze kinderen kunnen bij testen nog wel eens verrassend hoog uit de bus komen. In die situatie weten ze niet wat er 'gemiddeld' is, en ze kunnen hun resultaten dus niet voorprogrammeren op een verondersteld gewenst niveau. In de klas weten ze meestal wel hoeveel fouten er zoal gemaakt worden, en passen hun werk daar, bewust of onbewust, op aan.

Type 4: de drop-out. Niemand wordt als drop-out geboren. Zoals gezegd: eigenlijk begint iedereen als een zelfstandig type. Wanneer de omstandigheden de ontwikkeling van en kind dermate negatief beïnvloeden, dan kan een kind in deze toestand terechtkomen. Dat is uiteraard een samenspel van persoonlijkheid en omgevingsfactoren. Dit kind kan gaan spijbelen, of storen. Maar wat je ook ziet zijn kinderen die wel fysiek aanwezig zijn op school, soms zelfs de leerkracht aankijken, maar in het hoofd zijn ze heel ergens anders. Vaak denken ze dat ze de hele uitleg al kennen. Dat is de ervaring die ze in de loop der tijd hebben opgebouwd. Door half afwezig te zijn in hun geest, missen ze de uitleg grotendeels, en daarmee ook de stukjes die ze nog niet wisten. Het gevolg is dat ze hun taken niet af krijgen. Ze zijn met hun hoofd niet bij hun werk. Ze krijgen er steeds minder zin in. Ze kunnen zichzelf verwaarlozen en/of isoleren. Vinden misschien nog enige uitdaging buiten school.

Deze kinderen zijn kritisch op zichzelf, maar ook op anderen. Niets is ooit goed genoeg, er wordt altijd wel iets gevonden dat niet goed was. Zelfs als ze een complimentje krijgen, zullen ze daar heel snel achter aan iets opmerken over iets dat niet in orde was. Deze kinderen zijn erg creatief, en dat wordt ingezet om de regels te ontduiken, en om afwezig te zijn. Als dit kind langere tijd op deze manier van de rails af is, is het zeer moeilijk om hem weer goed op de rails te krijgen. Snel ingrijpen, of liever het voorkomen, is noodzakelijk. Zitten ze te ver in dit mechanisme opgesloten, dan gaan ze steeds verder achteruit. Ook hun zelfbeeld sneuvelt volledig. Dat zijn de kinderen die volledig kunnen vastlopen en uitvallen in het bestaande onderwijssysteem. Die kinderen zijn volledig afgeknapt op school: ze passen niet meer in het systeem. Ze kunnen niet meer functioneren. Een mogelijke uitkomst biedt de volgende aanpak: De kinderen moeten eerst de gelegenheid krijgen om weer tot zichzelf te komen. Dat lukt via hun eigen interessen. Daarbij wordt geen schools werk meer van ze verwacht. Ze krijgen een time-out. Men gaat op zoek naar die kleine stukjes die nog wel functioneren, om van daar uit weer iets op te bouwen en om tot werken te komen. Deze kinderen staan voor een langzame weg terug. Stapje voor stapje op weg naar een terugkeer in het reguliere onderwijs, of op weg naar een diploma via een alternatieve weg. En dat terwijl er niets mankeert aan hun verstand.

Type 5: kind met leer- en gedragsproblemen. Je zult maar hoogbegaafd zijn en daarbij nog iets anders meedragen. Dit kind scoort laag. Het zou wel goed kunnen scoren, maar dat gebeurt niet, omdat de mogelijkheden beperkt worden door iets anders. Dat kan zijn: ADHD, dyslexie, autisme, handicap, enz. Dit kind is dubbel geëtiketteerd. Wat in het hoofd zit kan er door omstandigheden niet uitkomen. Hij weet dat het niet lukt. Dat kan zeer frustrerend zijn. Hij is dus boos op de hele wereld. Hij zal dit graag afreageren op de hele wereld. Dan is er geen energie meer over voor andere, nuttige zaken. Dus ook niet voor je schoolwerk. Bovendien is het voortdurende ervaren van de belemmering ten gevolge van de andere afwijking bijzonder demotiverend. Je ziet vaak dat door de hoogbegaafdheid bijvoorbeeld een dyslexie niet wordt ontdekt: het kind weet zich dankzij de intelligentie staande te houden, maar presteert niet op het eigen niveau. En andersom: door de beperkingen van de dyslexie blijft de hoogbegaafdheid verborgen. Wil je het kind goed begeleiden, dan is het noodzakelijk om aan beide kanten recht te doen.

Handelingsmogelijkheden:

Het is niet de bedoeling om het bij de constatering te laten: er worden ook mogelijkheden gegeven om met de verschillenden typen om te gaan. Ook hier moet je er rekening mee houden dat de typen gemengd voor kunnen komen.

1 - de succesvolle.

Dit zijn vaak meisjes. Deze kinderen hebben verrijking nodig en/of het overslaan van klassen. Daarbij is het wel nodig dat ze leren leren en leren werken. Ze moeten leren om zelfstandig te werken, en niet steeds precies te doen wat de leerkracht vraagt. Bij vervolgonderwijs is het nodig dat ze zich die vaardigheden hebben eigengemaakt. Deze kinderen hebben het zeer nodig om in contact te komen met gelijken, andere hoogbegaafden. Dat stimuleert hun creatieve denkvermogen en het vermindert de behoefte om onder niveau te werken. Deze kinderen zijn er mee geholpen als ze een goede kijk krijgen op beroepsmogelijkheden. Ze moeten zien wat er allemaal te kiezen valt. Zonder die goede informatie hebben ze geen zicht op het nut van hun eventuele inspanningen. Laat ze zien wat er bij een bepaald beroep komt kijken en wat er voor nodig is aan vooropleiding. Geef ze een doel voor ogen, en ze gaan aan het werk om dat te bereiken. Daarmee maak je ze minder afhankelijk van het oordeel van de leerkracht en de acceptatie van de omgeving.

Een programma met verrijking is nodig, ook al om ze te leren falen. Ze moeten beseffen dat fouten maken ook mag. Je hoeft niet alles in één keer te begrijpen. Leren komt met vallen en opstaan. Deze kinderen hebben de neiging tot faalangst. Het besef dat leren met vallen en opstaan gaat, is iets wat ze niet leren in het gewone programma. Maar als ze het niet leren, zullen ze daar later problemen mee krijgen.

2 - de uitdager.

Dit zie je vaker bij jongens. Ze zijn het meest gebaat bij een leerkracht die goed bij ze past. Dat is iemand die ze begrijpt, ze ruimte geeft en ze ook waardeert. Deze kinderen moeten allerlei cognitieve en sociale vaardigheden aanleren. Dat is niet, zoals bij de meeste kinderen, vanzelf gegaan in het gewone schoolprogramma. Ze weten vaak niet wat ze moeten doen, of weten zich geen houding te geven. Ze vinden zichzelf raar, want ze zien wel dat ze anders zijn dan de rest. Dan raken ze hun zelfvertrouwen kwijt. Het is nodig dat ze weer het succes bij zichzelf herkennen. Dan is het niet meer nodig om door de klas te schreeuwen om erkenning te zoeken. Dit kind heeft duidelijke afspraken nodig. De leerstof moet verdiept worden. Als hij teveel bezig is met leerstof waar hij te weinig moeite voor moet doen, dan blijft het in het korte termijn geheugen hangen en raakt weer verloren. Geef dit kind verdiepingsstof, waardoor hij ergens moeite voor moet doen, dan krijgt het een plaats in het lange termijn geheugen: dat beklijft. Dat geeft ook meer voldoening en zo bouwt het kind zijn zelfbeeld weer op. Dit kind moet studievaardigheden aanleren.

Dit kind vindt school vaak niet leuk. Dat moeten we hem toestaan. Toch is het nodig om een goede opleiding te krijgen, dus hij moet er doorheen. Je moet dit kind uitleggen dat hij de school nodig heeft als basis voor later. Want dan komen de keuzemogelijkheden. Echter: zonder de opleiding beperkt hij zijn keuzemogelijkheden drastisch. Met deze uitleg kan het kind kiezen om zich er doorheen te slaan.

3 - de onderduiker.

Dit zijn vaak meisjes. Deze kinderen willen er lekker bij horen, samen met de rest dingen doen. Dan kun je dus geen goede cijfers halen, en je kunt geen bijzondere interesses ergens voor tonen. Opvallen zou je wel eens je positie tussen de rest kunnen kosten: je wilt niet opvallen. Dit kind past zich aan om gewaardeerd te worden, en om vrienden te krijgen. Jongens kunnen lastig zijn. Je ziet ook dat ze veel wisselende vriendschappen aangaan. Komt hij een keer iemand tegen, waarbij hij een interesse kan delen, dan vindt hij dat wel fijn, maar sluit zich er ook weer snel voor af. Het contact met iemand die niet 'gemiddeld' is, zou wel eens kunnen verraden dat je ook anders bent.

Dit kind is er ook bij gebaat om zicht te krijgen op beroepen en wat daar bij komt kijken. Hij moet zich een reëel beeld kunnen vormen van het werk. De vage ideeën moeten verholpen worden. En daarbij hoort een goed beeld van wat er aan opleiding nodig is. Weet je eenmaal wat je zou willen bereiken, dan weet je ook dat je daarvoor moet werken en studeren. Deze kinderen hebben ook vaak vastomlijnde ideeën over wat mannen- en vrouwenberoepen zijn. Het onderwijs wordt helaas steeds meer een vrouwenwereld. Daar staat tegenover dat vrouwelijke docenten in exacte vakken goed kunnen dienen als rolmodel voor vrouwen in ' mannenberoepen'. Meisjes hebben baat bij een goed rolvoorbeeld van sterke vrouwen die iets bereikt hebben. Daarmee zien ze dat het mogelijk is om iets te bereiken en daarbij gewaardeerd te worden. Dat inspireert.

4 - de drop-out.

Dit kind is vaak pas goed te begeleiden na verder onderzoek. Door een lang proces van afglijden zijn ze vaak ver weg geraakt van zichzelf en hun mogelijkheden. Het is nodig om zicht te krijgen op de problemen die meespelen. Vaak heeft het kind ook psychische problemen opgelopen. En dat kan een oorzaak zijn voor het gedrag. Dit kind vindt zichzelf raar. Het anders-zijn is een zware last gebleken. Deze kinderen ervaren vaak positieve effecten van groepstherapie. In een groep ben je toch niet zo anders als je dacht: er zijn er meer met hetzelfde. Stuur je dit kind van de ene naar de andere therapie, dan versterk je het gevoel dat er iets aan hem mankeert: 'Zie je wel, er moet aan mij vreselijk gesleuteld worden, zo raar ben ik.' Een verrijkingsklas kan uitkomst bieden: daar kan en mag hij even keihard werken. Helaas zijn er ook kinderen die in dit proces zó ver weg zijn geraakt, dat je ze niet meer omhoog kunt halen. Het is zaak ervoor te zorgen dat ze niet zo ver komen!

5 - hoogbegaafd en nóg iets.

Men is bij deze kinderen zeer geneigd om het probleem te verhelpen. Er wordt veel geoefend om het gebrek te repareren. Helaas wil en kan een hoogbegaafd kind helemaal niet veel herhalen! In de behandeling en begeleiding van zulke kinderen kan en mag je de hoogbegaafdheid niet buiten beschouwing laten: die moet altijd meegerekend worden. De begeleiding rondom beide etiketten moet samenvloeien. Dat is moeilijk, want daarvoor heb je een begeleider nodig die zicht en inzicht heeft op beide vlakken. Dat betekent heel vaak dat je een kind het nut van bepaalde oefeningen en dergelijke moet uitleggen. Als hij het nut ervan inziet, dan is hij zelfs bereid om door middel van herhaling te oefenen, tot op zekere hoogte.

Maar laat de hoogbegaafdheid nooit buiten beschouwing! De hoogbegaafdheid maakt te zeer deel uit van de hele persoonlijkheid. Vaak is dit kind er mee geholpen als hij zelf onderzoek mag doen: een vorm van leren die hem laat ontsnappen aan het harnas van het gebruikelijke onderwijs en aan de strakke schoolregels. Als je er af en toe even uit mag, dan kun je er ook weer in.

Deze kinderen hebben vaak individuele begeleiding nodig, omdat ze meer dan een afwijking van het gewone hebben. Ik wil daarbij niet zeggen' twee problemen'. De begeleiding of therapie moet aan beide kanten werken. Je kunt daarbij nooit één kant vergeten, want dan is het bij voorbaat al mislukt. Vaak is het verstandig om beide kanten in dit proces van helen te laten bewaken door een onafhankelijke derde. Die kan waarschuwen op het moment dat er teveel aandacht voor een van de kanten is ontstaan. Het hoeft geen verdere uitleg dat die persoon verstand moet hebben van hoogbegaafdheid.

6 - de zelfstandige.

Het gaat eigenlijk goed met dit kind. Dat wens je iedereen toe. Toch kun je de begeleiding optimaliseren door hem een lange termijn planning aan te bieden. Dan weet hij waarvoor hij het doet. Eigenlijk ligt er een wereld aan mogelijkheden voor dit kind open. Er zijn geen hinderende beperkingen. Maar kiezen uit teveel mogelijkheden is ook moeilijk. Dit kind moet weten wat voor beroepen er zijn en wat ze inhouden. Laat hem eens rondkijken op een universiteit. Geef inzicht in wat je precies moet doen bij bepaald werk. Als ze het goed gezien hebben, dan gaan ze er ook voor. Een valkuil voor de begeleiders van deze kinderen is het opschroeven van de eisen: als alle resultaten goed zijn, toch nog even een opmerking maken dat nu het handschrift ook wel eens verbeterd zou kunnen worden. Dat zou de indruk kunnen wekken dat een hoogbegaafde alles perfect zou moeten doen. Laat deze kinderen verrijken en verdiepen. Zorg dat ze zich inspannen voor dat deel van hun werk, want dat doen ze normaalgesproken nooit, omdat de noodzaak ontbreekt. Het zou jammer zijn als deze kinderen er uiteindelijk ook tegenaan lopen dat ze een gebrek aan studievaardigheden hebben, gewoon omdat dat nooit is aangesproken. Ook deze kinderen lopen het risico dat ze niet leren leren. Vaak hebben ze ook niet geleerd om onder tijdsdruk te werken, of om tegen de limieten van hun mogelijkheden aan te lopen. Het duurt vaak langer, dan zijn het al tieners of studenten die tegen akelige tegenslagen aan kunnen lopen. Leer ze op tijd om voldoende studievaardigheden en zelfdiscipline aan te kweken.

© Pharos 2005

powered by typo3